Het liedje van de rimpeling
1
En wat je zegt dat ben jezelf,
ik ben mijn eigen spiegelbeeld
en zonder dat nog maar de helft.
Wie heeft ons later zo verdeeld
dat jij niet mij maar jou herkent?
In ogen spiegel ik mezelf;
verdwaal in mij zoals je bent.
Of was het juist net andersom?
ik kan niet leven met mijzelf
als jij vertrekt met stille trom.
2
De rimpels zijn van ouderdom
maar ook een beeld dat ik vervaag.
De rechte lijnen trekken krom,
wat helder was, wordt nu gestaag
een troebel blik in het verschiet,
ik kan niet denken meer niet doen.
Ja het loopt af; een treurig lied
een dode tak wordt nooit meer groen.
Ja het loopt af; een treurig lied
een dode tak wordt nooit meer groen.
3
De aarde zoekt het verse gras,
het water wil weer naar de zee.
Ik ben niet meer wie ik ooit was,
een puzzelstukje nam je mee.
Wie zal zichzelf echt goed beschouwen
zo in zijn eigen spiegelbeeld?
Hij kan zijn zelfbeeld niet vertrouwen;
het slaat meer wonden dan het heelt.
Hij kan zijn zelfbeeld niet vertrouwen;
het slaat meer wonden dan het heelt.
4
En wat je zegt dat ben jezelf,
ik ben mijn eigen spiegelbeeld
en zonder dat nog maar de helft.
Wie heeft ons later toch verdeeld?
Gebroken spiegels maken scherven
zich spiegelen kan iedereen.
Als ik als dar door daad zou sterven
kijk ik dwars door de spiegel heen.
Wie wil er nu mijn liefde erven?
Want niemand leeft voor zich alleen.
Ik ben op zoek naar een nieuw beeld
waarin je ook die ander vindt,
zodat er samen wordt gespeeld
net als een onbezonnen kind.
Net als een onbezonnen kind.
© Maarten Willems